Vervallen, haveloos en kaal
sta je daar - oud stoomgemaal -
gekneusd, geschonden door de tijd
als een stuk vergetelheid.
Eens stond je als een sterke rots
midden in het landschap Gods.
Aan jou - Op deze plek gebouwd -
werd de stand van het water toevertrouwd:
want was het water erg hoog,
dan maalde jij de polder droog.
't Was in de tijd nog van de stoom,
jouw leven leek een mooie droom.
Zo deed je jaren lang je best
voor dit land en dit gewest.
Maar toen kwam de electriciteit
en wat men vreesde werd een feit:
jij, die de trots was van de Schans
bood men geen verdere levenskans.
Men heide reeds de eerste paal
voor een electrisch gemaal.
En hoe je ook voor je leven vocht
je werd verkwanseld en verkocht.
Ze hebben wreed je rust verstoord
en heel je innerlijk vermoord,
want zware mokers kwamen aan
om alles kort en klein te slaan.
Men beukte, ramde en men sloeg
en al was het nog niet erg genoeg
-al was nog niet genoeg gedaan -
toen kraaide zelfs de rode haan.
Wat eens een machtig bouwwerk was,
bleef enkel over een karkas.
Zo sta je al jaren lang te kijk
als een schandpaal aan de dijk.
De Hoge Heren gaan voorbij
en kijken nog niet eens op zij.
Geen mens ziet nog naar je omhoog
voor hen ben je een doorn in het oog.
De ratten lopen in en uit,
een vuilnishoop is het besluit.
Ja iedere dag vraag ik me af,
wie geeft jou een eerlijk graf.
Mevr. D. van Geffen-Daanen.